Onnatuurlijke selectie volgens Dr. David Conover
Monday 16 July 2007

"Het beheren van visbestanden op basis van minimumafmeting is het verkeerde uitgangspunt!"

Iedereen is wel bekend met de natuurlijke selectie theorie van Charles Darwin , of je moet op de basisschool al afgehaakt zijn.

In het kort: “De sterke exemplaren overleven in de vrije natuur."

Roofdieren richten zich op de zwakkere, jongere exemplaren. Wat er overblijft zijn de snel groeiende, sterkere en grootste exemplaren die op hun beurt weer bijdragen aan de genenbank.

De huidige methodes van visstandbeheer, en die in het bijzonder van de beroepsvisserij, kunnen het natuurlijke selectie proces 180 graden doen omslaan.

In plaats van de zwakkeren weg te vangen proberen  “visstandbeheerders” met de beste bedoelingen de bestanden te beheren door middel van het laten wegvangen op basis van een minimummaat.

De visserijdruk en de daarbij behorende sterfte van de grootste, oudste exemplaren die het meest geschikt zijn om te overleven neemt daardoor toe. Men kan dit een onnatuurlijke selectie noemen, de top predatoren (de mens) brengt deze selectie ten uitvoer.   


Baanbrekend onderzoek
Dr. David Conover, hoofd van het Marine Science Research Center in New York heeft recent een aantal interessante bevindingen gepubliceerd op het gebied van visstandbeheer. Door zijn onderzoek naar Atlantische silversides was hij in staat om het eerste bewijs te leveren dat de groeisnelheid van vissen en de productiviteit van populaties snel beïnvloed wordt door het oogsten op basis van afmeting. Conover’s onderzoek was gebaseerd op 3 populaties van 1000 Atlantische silversides  gekweekt in identieke maar afgesloten omgevingen.


In de eerste populatie werden de kleinste 900 vissen verwijderd. In de tweede populatie werden de 900 grootste vissen verwijderd en in de 3e populatie verwijderde hij willekeurig 900 vissen. De overgebleven 100 vissen in iedere gecontroleerde omgeving werden daarop een periode met rust gelaten. Na 4 generaties was het gemiddelde gewicht van de populatie waarvan de grootste vissen waren verwijderd 1,05 gram vergeleken met 3,17 gram van de populatie waarvan willekeurig 900 vissen waren verwijderd. Het gemiddelde gewicht van de populatie waarvan de 900 kleinste vissen waren verwijderd lag op 6,47 gram!

De overgebleven vissen van de groep waarvan alleen de grote vissen waren weggenomen hadden een lager gemiddelde afmeting en totaal gewicht. Verder was het aantal overgebleven vissen van de groep waarvan alleen kleine vissen waren verwijderd het tweevoudige ten opzichte van de groep waarvan alleen de grote exemplaren waren onttrokken.

Klaarblijkelijk kan worden gesteld dat indien alleen grote exemplaren worden onttrokken aan een populatie het gevolg is dat deze populatie kleinere en minder vissen produceert in de toekomst. Het zou ook de genetische kenmerken van de vis populatie kunnen beïnvloeden. Omdat traditionele meeneembeperkingen op basis van minimummaat de visserijdruk op grotere individuen doet toenemen hebben de vissen een kleinere kans om de paaileeftijd te bereiken en om te overleven als ze die leeftijd zouden halen. Met weer het gevolg dat de vis op een steeds jongere leeftijd paairijp is.


Lange-termijn implicaties
Een tekort aan grote vissen en het ontbreken van een natuurlijke opbouw van leeftijd en afmeting in visbestanden heeft grote gevolgen voor de productiviteit en stabiliteit van deze bestanden op lange termijn. Dr. Conover’s onderzoeken tonen aan dat het ontrekken van de grote individuen van een populatie resulteert in de productie van kleinere eitjes en larven. Het kleiner worden van deze larven gaat gepaard met een afname in zwemkracht en voedingsinname. De kleinere larven waren ook minder goed in staat om voedsel om te zetten naar lichaamsgewicht, en minder geneigd om op zoek te gaan naar voedsel.

Het duurde slechts 5 generaties om dergelijke veranderingen te doen ontstaan. Kleinere vissen zorgen voor kleiner nageslacht, die minder kans hebben om te overleven. Een gebrek aan variëteit in deze kleine vissen genenbank maakt deze vissen ook meer vatbaar voor slechte weersomstandigheden met als gevolg een mislukte paaiperiode of ziekte in de populatie. Een tot paaien in staat zijnde populatie bestaand uit veel leeftijdsklassen is stabieler en beter in staat om extreme omstandigheden in het ecosysteem te weerstaan, die van tijd tot tijd voorkomen.

Een variërend meeneembeleid
Als het hanteren van minimum maten niet het antwoord is, hoe moeten visbestanden dan beheert worden? Een voor de hand liggend iets is om zowel een minimum- als een maximummaat (slot limit) in te stellen.

Dit wordt al gedaan bij een aantal soorten in een paar staten in Amerika. Echter dit werkt niet bij iedere soort. Een “slot limit” kan een ongewenst neveneffect hebben doordat juist de visserijdruk gelegd wordt op een zwakke jaarklasse die deze onttrekking niet kan verdragen. Bij populaire visserijen zoals op “walleye” (snoekbaars) bestaat het risico dat een zwakke jaarklasse serieus wordt uitgedund die nu juist net binnen de vastgestelde minimum- én maximummaat valt.

De juiste manier om een slot limit te hanteren is om deze jaarlijks te bepalen, toegesneden op wat de populatie dan kan hebben. Bijvoorbeeld: het ene jaar is de slot limit 45 tot 75 centimeter het volgende jaar kan deze misschien afnemen tot 50 tot 65 centimeter, waarbij weer wordt geput uit een overschot aan kleinere vis. Echter tot op de dag van vandaag is een dergelijk systeem nog nergens ingevoerd.

 

Over het algemeen zou de beste werkwijze kunnen zijn om vissterfte / onttrekking op een zodanig nivo te houden dat er een meer natuurlijke leeftijds- en lengteopbouw in de populatie ontstaat. De nadruk zou moeten worden gelegd op lengtelimiet die de meerderheid van het bestand in de gelegenheid stelt-- in het ideale geval 100% -- van de populatie te laten paaien voordat ze weggevangen worden. Dit zou inhouden dat er een meeneembeperking moet worden opgelegd die ver beneden de maximaal toelaatbare onttrekking ligt (het maximum aan vis dat aan een populatie kan worden onttrokken zonder dat op de lange termijn een gelijkmatige leeftijdsopbouw in gevaar wordt gebracht) en een hogere lengte limiet.

Helaas heeft het beleid van visstandbeheerders historisch gezien een dergelijke aanpak
nooit toegestaan. Ook binnen het huidige visstandbeheer wordt de nadruk op onttrekking gelegd, niet op gevarieerde opbouw.

Veel vertegenwoordigers van de visserijindustrie bestrijden dat zij zoveel mogelijk vis doden. Toch worden diegenen die onttrekkingen aan populaties en het verhogen van lengtelimieten ook maar te sprake brengen, bestempeld als elitair en als “ongevoelig” voor de gewone man.

Het kan nog wel eens zo ver komen dat de vissen zo klein worden dat het niet meer de moeite is om ze mee te nemen tenzij sportvissers in opstand komen en hun waterbeheerders ook kennis laten nemen van dr. Conover’s onderzoeken die een dalende trend laten zien in de afmeting van vissen in veel lokale visserijen.

De BVSV vraagt zich echt af waarom nu steeds maar weer door waterbeheerders wordt gekeken naar wat er nog te oogsten valt op een water. Visstandbeheer gaat verder, verder dan in menig VBC is besproken.


Reageren op dit artikel? Ga naar het forum!

 

Bron: Bron: Flyfishing in Saltwaters, issue May/ June 2007-07-14 Author: Capt. John Mcmurray,
Dr. David Conover, hoofd van het Marine Science Research Center in New York


 


 

Commentaar (1)Add Comment
...
geschreven door Joey, June 17, 2008
Naar mijn mening is het échte probleem anders dan dat met de weergave van bovenstaande resultaten wordt geschetst. Immers zijn is er helaas maar 1 verwijderingsproef geweest in plaats van een doorlopende verwijderingscyclus. En de rust die de testgroepen kregen, krijgen de vissen in de natuur niet. Daarnaast is de vraag hoe representatief het onderzoek verder is uitgevoerd. Welke vissen zijn verwijderd, en is de verwijdering tussen de groepen evenredig (genetisch gezien, geslachtmatig gezien etc.). Maar los hiervan: De beroepsvisserij doet iets onnatuurlijks door netten te plaatsen, laten we dat voorop stellen. Vanuit commercieel belang wil de beroepsvisserij door middel van aanbod een vraag bedienen. En daar ligt nu juist het probleem. Want een individuele beroepsvisser, welke achteruit gaat in aanbod wil nu eenmaal niet zijn collega visser, welke een betere visstand kent dat aanbod kado doen. Dit zal er doorgaans toe leiden dat de beroepsvisser de visstand onder druk zal zetten (lees uitputten) om aan zijn eigen inkomstenverwachtingen en wensen te voldoen. Hier wordt de visstand erg kwetsbaar. Ik heb begrip voor de onderzoeksresultaten, maar helaas gaan de onderzoeksresultaten van een situatie uit, welke niet gelijk is aan de toestand van een afzonderlijk water. Laten we eerlijk blijven en zeggen dat het niet vreemd is dat bij overbevissing de maten van de vis steeds kleiner worden. En laten we nu ook eerlijk zijn en onderkennen dat beroepsvissers in dat geval liever geld verdienen aan kleinere vis, dan dat zij zullen teren op hun "spaarcentjes" om de visstand de rust voor herstel te geven. Mijn inziens is dit onderzoek hier meer gebruikt als pleidooi om de visstand verder uit te kunnen putten, dan om de visstand op te bouwen.

Schrijf commentaar
quote
bold
italicize
underline
strike
url
image
quote
quote
Smiley
Smiley
Smiley
Smiley
Smiley
Smiley
Smiley
Smiley
Smiley
Smiley
Smiley
Smiley

security code
Schrijf de volgende tekens


busy